Alle malen zal ik wenen


Shaloom. Vrede. Titel ook van een bekend gedicht van Leo Vroman dat eindigt met:

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen.
En herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.


De dame die in dit boek centraal staat, moest balen van verhalen. Zij was voor velen een gesloten boek. De oorlog mag voor velen zijn verdwenen, voor de gestigmatiseerden, onder wie Nettie Bromberg, is hij gebleven. Zij blijven wenen bij het aanhoren van al die verhalen, alle malen. Een oefening van berouw past velen in Eijsden die nooit hebben geweten dat in hun midden, vanaf 1954, een kunstenares heeft gewoond die niet minder dan 300 tekeningen, 200 aquarellen en 200 olie- en emulsieverfschilderijen heeft nagelaten. Landschappen, getekend of geschilderd op de heuvelen rond Eijsden en Mesch zowel als op de heuvelen van Eilat en Jeruzalem. Portretten van mensen zonder naam zowel als portretten van mensen met een wereldtaal. Schilderijen met verhalen. Schilderijen met een boodschap.

Jan van Lieshout

Jan van Lieshout werd op 3 februari 1939 in Asten geboren. Hij is als journalist verbonden aan het Limburgs Dagblad.
In 1980 verscheen van hem Het Hannibalspiel, over een Nederlands-Belgische verzetseenheid die in 1942 in Eijsden was ontstaan. Daarnaast publiceerde hij Ste.Cecile - De rode draad (1980), over de gelijknamige Eijsdense harmonie. Na "Het verzet op Kaap de Goede Hoop", in Het verzet 1940-1945 (1985) volgden De aal van Oranje (1988), over verzetsman pater Lodewijk Bleijs, en En de boer, hij gardeniert voort...(1991).
Zijn verbondenheid met oorlog en verzet en met Eijsden maakte hem bij uitstek geschikt om een inleiding te houden bij de opening van de Nettie Bromberg-expositie op 8 mei 1991 in Eijsden. Deze inleiding vormt de basis van de bijdrage die u hier vindt.

Klik hier voor een beknopt overzicht van Nettie Brombergs leven en werk.


Biografische gegevens

zelfportretNettie Bromberg werd op 20 juli 1920 in de Dufaystraat, nabij het Concert-gebouw, in Amsterdam geboren. Zij was de enige dochter uit het huwelijk van Paul Bromberg en Constance Metz.
Haar vader stamde van Asjkenazische (Hoogduitse) joden, was in Amsterdam geboren, was meubelontwerper en binnenhuisarchitect van beroep. Hij schreef ook artikelen (voor vak- en weekbladen) en boeken over meubels en binnenhuisarchitectuur.
Haar moeder stamde uit een geslacht van Amsterdamse diamantairs.

Nettie had een broer, Paul Bromberg junior, die scheikundig ingenieur zou worden.
In navolging van haar vader wilde Nettie binnenhuisarchitect worden. Na het behalen van haar HBS-B-diploma kreeg ze privéles van de betere leraren van de lagere en middelbare technische scholen in Amsterdam.
Vader Bromberg kiende haar lesprogramma uit. Hij vond dat de orthodoxe opleidingen teveel balwrapbox hadden - vakken waaraan je in de praktijk niets had.
Praktische ervaring deed Nettie bij een bevriend architect in Amsterdam op. En vanaf 1939 werkte ze bij haar vader.


Verbluffend

Inmiddels kreeg Nettie ook privéles in tekenen en schilderen. Het verontrustte haar ouders dat zij reeds op eenjarige leeftijd naar jongens lonkte. Paul Bromberg probeerde haar aandacht voor het andere geslacht af te leiden door middel van tekenlessen die zij van Paul Citroen kreeg.
Ze was twaalf toen ze een pasteltekening van haar tweejarig broertje maakte. Het resultaat was verbluffend.
Op haar zestiende kreeg ze te horen dat zij zichzelf verder moest ontwikkelen. Wat ik kan, kan zij ook, sprak Citroen tot haar vader.
Mou van Dantzig, in zijn tijd een belangrijk kunstkenner, bracht haar de technieken van het schilderen bij.
Hans Jaffé, de conservator van het Stedelijk Museum in Amsterdam, wijdde Nettie in de kunstgeschiedenis in.

paultje Op 30 april 1940, ging Paul Bromberg senior andermaal scheep naar de States, waar hij eerder, in 1938, het Nederlandse paviljoen op de wereldtentoonstelling in New York had gebouwd en aangekleed.
In 1940 zou hij er voor de vereniging van Ambachts- en Nijverheidskunstenaars een reizende tentoonstelling van Nederlandse kunstnijverheid opzetten. Drie maanden zou hij wegblijven.


Oorlog

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Eerst in augustus 1945 zou Paul Bromberg repatriëren. Ofschoon pas negentien, wikkelde Nettie de lopende opdrachten af. Ook haalde ze nieuwe orders binnen. Op 22 oktober 1940 verordonneerde de bezetter dat bedrijven welke door joden werden gerund of op joods kapitaal dreven, moesten worden aangemeld. Vervolgens werden de joodse ondernemingen geliquideerd of onder een bewindvoerder voortgezet. In januari 1941 moesten alle joden zich laten registreren. Ook in Amsterdam kwam een getto voor joden. Joden mochten niet meer zonder vergunning reizen of verhuizen. Joden mochten niet meer in parken of

plantsoenen komen, geen sportevenementen meer bijwonen, geen concerten, geen toneelvoorstellingen. De toegang tot musea werd hun ontzegd. Zelfs in café's en koffiehuizen werden de bordjes Voor joden verboden opgehangen. In hun persoonsbewijs kwam de J van jood te staan en vanaf april 1942 moesten de joden een zeskantige gele ster dragen, met het ravenzwarte opschrift Jood. Eind juni 1942 werd een ophokplicht van kracht. Van acht uur 's avonds tot zes uur 's morgens moesten joden thuis zijn. De deportatie en destructie van joden, waartoe de SS-top op 20 januari 1942 tijdens een conferentie aan de Wannsee in Berlijn had besloten, konden beginnen.


Overleven

In de nazomer van 1942 dook Constance Bromberg met haar zoontje in de Achterhoek onder. Nettie was inmiddels koerierster van een communistische cel, waarvan ook haar geliefde deel uitmaakte. Zijn naam was Jan Bool, zoon van een industrieel uit het Gooi, die aan de universiteit van Amsterdam Russisch studeerde. Jan voelde zich in toenemende mate tot het communisme aangetrokken en zette zich steeds feller tegen het kapitalisme af. Vanwege haar joods uiterlijk werd Nettie, veiligheidshalve, op non-actief gesteld. Daarom vervoegde zij zich alsnog bij haar moeder in de Achterhoek. Tussen Kerstmis 1942 en nieuwjaar 1943 begaf Nettie zich naar Amsterdam, waar zij vernam dat Jan dood was. Kapot keerde Nettie terug. Ze at bijna niets meer en dronk zure dranken, waardoor haar darmflora werd vernietigd. Anorexia nervosa, zou tegenwoordig de diagnose zijn: een ziekelijke vermagerzucht, die gepaard ging met angst om directe, spontane en informele relaties aan te gaan. Op weg van Doetinchem naar Leeuwarden werd de familie Bromberg, in 1943, op het station in Arnhem opgepakt en op transport naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam gesteld. Vandaaruit gingen de joden

naar Westerbork: het voorportaal van Auschwitz, waar ze massaal werden vergast. Paul junior werd met een besmettelijke ziekte in de Joodse Invalide opgenomen, het joodse ziekenhuis voor invalide en chronisch zieken, dat op 1 maart 1943 door de Duitsers werd ontruimd. In de chaos van deze razzia werd Paul 'ontvoerd' door twee als verpleegster verklede leden van de verzetsorganisatie van zijn neef Dolf Helmann. Dank zij de hulp van Ilse Vordebergse-Gildewart ontkwamen ook moeder Constance en dochter Nettie aan deportatie. Ilse was de (joodse) echtgenote van een Duits kunstenaar, die in 1933 naar Nederland was uitgeweken. Nazi's hadden zijn avant-gardistisch werk als Entartete Kunst gebrandmerkt. Ilse maakte deel uit van de Joodse Raad, die de transporten vanuit Amsterdam naar Westerbork moest samenstellen en bepaalde wie vanwege onmisbaarheid moest worden gesperrt. Zij schrapte Constance en Nettie Bromberg van de appellijst, waardoor zij bij het wegbrengen van wasgoed op een onderduikadres konden worden ondergebracht. Met 26 onderduikadressen was Paul junior recordhouder van het gezin dat eerst in 1945 werd herenigd.


Veranderingen

Nettie besloot kunstenares te worden. Haar vader bezorgde de eerste opdrachten. Ze bestonden voornamelijk uit wanddecoraties en wandschilderingen. Voor haar bijdrage aan de tentoonstelling Kunst in Vrijheid kreeg zij, in 1945, de Gerrit van der Veenmedaille. Ze had drie werken ingestuurd, waaronder een eenzame man in een lege wereld -na de oorlog het lot van vele joden. De Oorlog noemde haar broer dit schilderij: nummer 1 in de catalogus van haar werken. Het doet denken aan De denker van Rodin. Het motief, de denker, heeft Nettie Bromberg tientallen malen geschilderd, met andere gezichten, in een andere omgeving, in andere composities.

Mede door de scheiding van haar ouders wilde de schilderes uit de stad weg. Dank zij haar vader, die bij de inrichting van het Nederlandse paviljoen op de wereldtentoonstelling in de Verenigde Staten nauw met Charles Eyck had samengewerkt, kreeg zij een atelier in het voormalige Bonnefantenklooster in Maastricht, waar ook Charles Eyck schilderde. Omdat zij niet in het voormalige klooster kon slapen, zocht zij een kamer. Door Henk Bool, de broer van de eerder genoemde Jan Bool, kwam Nettie in contact met Huub Steijns, die tijdens de oorlog ook deel had uitgemaakt van de communistische cel waartoe de gebroeders Bool behoorden.


Eijsden

stationsstraatHuub Steijns was een van de voormannen van de socialistische arbeidersbeweging in Limburg. Hij was in 1895 geboren in Mesch, had in Maas­tricht een kruideniers­winkel en verhuurde in de Limburgse hoofd­stad kamers.
Het klikte tussen die twee. In 1950 trouw­den zij, kort na de dood van Netties vader. Het echtpaar bleef in Maastricht wonen en werken. Doordat het voormali­ge Bonnefanten­klooster museum werd, moest Nettie verkassen. Achtereenvolgens had ze een atelier in Heer en aan de Boschstraat in Maastricht. In 1954 verhuisde het echtpaar Steijns naar Eijsden, waar Huub aan de toenmalige Stationsstraat in het voormalige huis van zijn moeder een kruidenierswinkel begon. De zolder werd atelier, waarin Nettie zich terugtrok. Zij wilde echter meer ruimte en echt buiten wonen.

Daarom kocht ze het huis van haar zwager in Mesch aan de Grijzegraaf, toen dat in 1959 vrijkwam. Nettie verbouwde het tot een aantal appartementen, die Huub 's zomers aan vakantiegangers verhuurde. De zolder richtte Nettie tot atelier in.
Voor opdrachten zorgde, na de dood van haar vader, Mou van Dantzig, haar leermeester, wiens raad ze tot diens dood bleef vragen. Voor het overige leidde Nettie een teruggetrokken bestaan. Door haar uiterlijk was ze zich pijnlijk bewust dat ze een jodin was. Contacten met de buitenwereld maakten haar nerveus. Dat deden ook de tentoonstellingen. Vandaar dat ze zich nooit heeft ingespan­nen om meer bekendheid aan haar werken te geven.
Daarbij kwam dat ze geen formele opleiding had gehad. Ze behoorde tot geen enkele school. Ze ontwikkelde een geheel eigen stijl. Die was direct, daardoor tegendraads. Beeldende kunst moest na de oorlog echter abstract zijn. Daarom werd ze doodgezwegen.
Door haar introversie had ze geen deel aan de dorps­gemeenschap en zijn er geen tekeningen, aquarellen of schilderijen van de brink, de cramignon, de rode of blauwe harmonie. Evenmin werd ze geïnspireerd door de sjoelen die er in de Diepstraat in Eijsden zijn geweest, in feite geweerkamers in woonhuizen van joden die voornamelijk in de vee- en kleinhandel zaten of een leerlooierij exploiteerden. Ook het joods kerkof aan de 12- Septemberstraat in Eijsden ontging haar.
Wel schilderde ze het kerkje van Mesch, dat ze vanuit haar atelier kon zien. En plein air schilderde ze op eenzame plekjes bloesemende boomgaarden, op de Zeven Heuvelen, op de Steenberg nabij de boerderij van Louis Wolfs-Homblen aan de oevers van de Voer.


Woestijn

In 1961 bezochten Nettie Bromberg en Huub Steijns voor het eerst Israel. Het was een bevrijding voor haar te ervaren dat ze in Israel niet opviel door haar uiterlijk, dat ze een kind van het volk van Israel was. Vaaglijk heeft ze erover gedacht om emigreren. Ze heeft het Huub echter niet willen aandoen. Met spanning volgde ze de joods-Arabische oorlogen. Ze was zeer progressief in haar politieke opvattingen. Ze veroordeelde fundamentalisme, aan de joodse zowel als aan de Arabische kant. Het Palestijnse probleem zou in samenspraak moeten worden opgelost. Geweld zou moeten worden afgezworen. Jeruzalem boeide haar zeer. Talrijk zijn de tekeningen en aquarellen die ze van de Eeuwige Stad maakte. Aanvankelijk vanaf de heuvels aan de zuidzijde van de stad, later van de oostzijde, vanaf de Olijfberg. Ook wist ze zich geïnspireerd door de woestijn, die ze vanuit Eilat tekende en schilderde. Het was een ideale omgeving voor reflectie. Vooral Spinoza, de Nederlandse filosoof van Portugees-joodse afkomst, sprak haar aan,

alsmede Constantin Brunner, die Spinoza's ideeën uitwerkte. Zij plaatsten de eenheid, oneindigheid, het eeuwige en het absolute tegenover het relatieve en de beperktheid van de menselijke waarneming ervan. Van beide filosofen alsmede van de secretaresse van Constantin Brunner, Magdalena Kasch, maakte Nettie schitterende potloodtekeningen. Los van haar opdrachten schilderde ze portretten van persoonlijkheden wier karakter haar boeide. Daartoe leefde ze zich volledig in hun gedachtenwereld in. Voor een portret van Einstein doorworstelde ze al diens werken. Haar eerste portret van de fysicus werd omstreeks 1947 in het Stedelijk Museum in Amsterdam tot Schilderij van de Week uitgeroepen. Ook portretteerde Nettie Franz Kafka en Primo Levi, een Italiaans chemicus van joodse komaf, die in het laboratorium in Auschwitz had gewerkt en jaren nadien, met de nodige afschuwelijkheid, beschreef wat hij in het vernietigingskamp had gezien en hoe hij erover dacht.


De denker

De oorlog liet ook Nettie Bromberg niet met rust. Het beeld van De denker bleef haar achtervolgen. Men treft hem ook aan in het schilderij dat ze, in 1953, van haar arrestatie in 1943 maakte. Opgepakt noemde haar broer het schilderij. De dame met de arm in een mitella is duidelijk Nettie. Ze was kort tevoren op de fiets aangereden en had een arm gebroken. De andere figuren zijn waarschijn­lijk gefantaseerd. Nettie hield er niet van om tekst en uitleg te geven. Een schil­derij is er niet om over te praten, maar om te zien, zei ze altijd.
Ook maakte ze zeven schilderijen waarmee ze het leed van vervolgde minder­heden wilde veralgemenen. Het is de zogenoemde In Memoriam-serie. De schilderijen hebben betrekking op het getto in Warschau. Voor een van de schilderijen stond de beroemde foto van het joodse jongetje dat verschrikt zijn handen voor de Duitse soldaten opsteekt, model.

De overige zes zijn afgeleid van foto's die de Roemeense fotograaf Vishnijack maakte. Op een ervan staat een groep joodse adolescenten, waar Nettie een groot, rood kruis door haalde om aan te geven dat de jongelingen door de geschiedenis zijn weggekruist. Nettie Bromberg schilderde vele portretten van Jan Bool, haar in de oorlog omgekomen geliefde, alsmede van Huub Steijns, haar man die ze tot zijn dood, in 1989, verzorgde. Hij werd 93 en stelde zijn lichaam ter beschikking van de wetenschap. Door de dood van Huub kon Nettie zich niet langer verschuilen. Het ging haar slecht af om in de openbaarheid te treden. Daarom ging zij weer naar Israel, waar ze haar levenswerk eindigde met een serie van dertien geaquarelleerde portretten van Huub Steijns. Onder het dertiende portret schreef zij: Dit is het laatste en, ik denk, het beste.



Op 17 juni 1990 overleed Nettie Bromberg. Ze werd begraven op de Berg der Ruste in Jeruzalem.

MuseumEinHarodTestamentair was voor haar vertrek naar Israel vastgelegd dat een stichting haar nalatenschap zou gaan beheren en voor een breder publiek toegankelijk zou maken. Broer Paul werd voorzitter van de Nettie Steijns-Bromberg Stichting, Ronny Naftaniel, de directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel, werd secretaris-penningmeester en Otto Treumann, een bekend grafisch ontwerper uit Weesp, bestuurslid. Omdat het Netties laatste wens was om haar collectie in een museum in Israel onder te brengen, gaan al haar werken naar Ein Harod, een kibboets met een bekend museum, 40 km ten zuidoosten van Haifa. Van de bakermat derhalve naar het Land van Belofte, waar reeds andere doeken van haar hangen.

In Lochamei Haguettaot, de kibboets van oud-strijders uit het getto van Warschau, hangt haar grootste doek: een portret van Janus Korczak, de directeur van een joods weeshuis in Warschau.

Morgenvroeg is het dus zover, schreef Janus Korczak aan de vooravond van zijn dood in 1942. Ik kan het duister van de voorzienigheid niet ophelderen. lk kan alleen maar hopen dat de verstikkingsdood die mijn kinderen en ik zullen ondergaan, de verrassende zin zal hebben: menselijkheid wakker te roepen.

Dat ook beoogde Nettie Bromberg met een belangrijk deel van haar werken. Haar schilderijen hebben een boodschap. Het zijn verhalen. Daarom wil ik eindigen met de versregels van Leo Vroman waarmee ik begon:

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen.
En herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.


Jan van Lieshout



Kies een galerie

  • BenGurionGetekende portretten
  • MenuhinGeschilderde portretten
  • LochameiHaGetaotRassenwaan en onrecht
  • EijsdenEijsdens landschap
  • JeruzalemIsraelisch landschap
  • NegevWoestijn